De Tekst van 1 Koningen 22:8
1 Koningen 22:8 luidt: 'En de koning van Israël zeide tot Josafat: Er is nog een man, door welken wij den HEERE zouden kunnen vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij geen goed profeteert, maar kwaad, namelijk Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De koning zegge niet alzo.'
Context van het Verhaal
Dit vers speelt zich af in een cruciale situatie. Koning Achab van Israël wil samen met koning Josafat van Juda ten strijde trekken tegen Ramot-Gilead om deze stad te heroveren van de Arameeërs. Josafat vraagt verstandig om eerst Gods wil te raadplegen. Achab laat 400 profeten komen die allemaal zeggen wat hij wil horen: dat hij moet gaan en zal overwinnen.
Achabs Onthullende Woorden
Josafat, blijkbaar niet overtuigd door deze eenstemmige maar verdachte boodschap, vraagt of er nog een profeet van de HEERE is. Dan onthult Achab zijn ware houding in dit vers. Hij erkent dat er nog één profeet is - Micha ben Jimla - maar voegt er direct aan toe dat hij deze man haat.
Het Hebreeuwse woord voor 'haten' hier is 'sanee', wat een diep ingrijpende afkeer en vijandschap uitdrukt. Achabs reden is opzienbarend eerlijk: Micha profeteert nooit 'goed' (Hebreeuws: 'tob') over hem, maar altijd 'kwaad' (Hebreeuws: 'ra').