De tekst van Spreuken 19:7
"Alle broers van een arme haten hem, hoeveel te meer vermijden zijn vrienden hem. Hij jaagt achter woorden die er niet zijn." (NBV)
Dit vers uit het boek Spreuken onthult een pijnlijke waarheid over menselijke relaties en de impact van armoede op sociale verbindingen.
Woordstudie en betekenis
Het Hebreeuwse woord רָשׁ (rash) betekent 'arm' of 'behoeftig', niet alleen materieel maar ook sociaal kwetsbaar. Het werkwoord שְׂנֵאֻהוּ (sene'uhu) betekent 'zij haten hem', wat een sterke emotionele afkeer uitdrukt.
Het tweede deel van het vers bevat het werkwoord מְרַדֵּף (meraddef), wat 'najagen' of 'achtervolgen' betekent. De אֲמָרִים (amarim) zijn 'woorden' of 'uitspraken' - mogelijk verwijzend naar beloften van hulp die nooit komen.
De realiteit van armoede
De Spreukenauteur observeert scherp hoe armoede mensen isoleert. Zelfs familieleden (אֲחֵי - broeders) keren zich af, laat staan vrienden (מְרֵעֵהוּ - metgezellen). Deze waarneming is niet bedoeld om dit gedrag goed te keuren, maar om de realiteit te beschrijven.
De gradatie in het vers is opvallend: als zelfs bloedverwanten zich afwenden, hoeveel erger is het dan met vriendschappen die minder bindend zijn.