De tekst van Psalm 6:2
In Psalm 6:2 roept David uit: "HEERE, bestraf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid" (Statenvertaling). Deze verzuchting vormt het hart van een van de zeven klassieke boetepsalmen, waarin de psalmist worstelt met Gods oordeel over zonde.
Hebreeuwse woordstudie
Het Hebreeuwse werkwoord תוכיחני (tokhicheni) betekent 'bestraffen' of 'terechtstellen', maar heeft ook de betekenis van 'overtuigen' of 'corrigeren'. Dit woord impliceert niet alleen straf, maar ook onderwijzing en herstel. Het tweede werkwoord תיסרני (teyassreni) betekent 'tuchigen' of 'disciplineren' en komt van hetzelfde grondwoord als 'musar' (tucht/wijsheid).
De woorden voor Gods toorn zijn eveneens veelzeggend. אף (af) betekent letterlijk 'neus' en verwijst naar het opvlammen van woede, terwijl חמה (chamah) 'hitte' of 'brandende toorn' betekent.
De context van Psalm 6
David bevindt zich in een situatie van ziekte en lijden (vers 3-7), waarbij hij Gods hand van oordeel ervaart. Cruciaal is dat hij niet om ontsnapping aan alle discipline vraagt, maar om genade binnen die discipline. Hij erkent Gods recht om te straffen, maar smeekt om barmhartigheid.