De tekst van Psalmen 50:12
'Als Ik honger had, zou Ik het u niet zeggen, want de wereld is van Mij en alles wat erin is.' (NBV)
Context binnen Psalm 50
Psalm 50 is een psalm van Asaf waarin God zelf het woord voert tot zijn volk. Het is een rechtsprekingspsalm waarin de Almachtige zijn volk confronteert met hun oppervlakkige religieuze praktijken. God roept de hemel en aarde op als getuigen (vers 4) en spreekt zijn oordeel uit over degenen die wel offers brengen, maar hun hart ver van Hem hebben.
Woordbetekenis en theologie
Het Hebreeuwse woord voor 'honger' (רָעֵב, ra'ev) wijst op lichamelijke behoefte. God gebruikt hier menselijke taal om een goddelijke waarheid te communiceren. Het contrast is krachtig: als zelfs de almachtige God honger zou hebben, zou Hij dat niet aan zwakke mensen hoeven mee te delen.
De tweede helft van het vers benadrukt Gods absolute eigendom over de schepping. Het Hebreeuwse 'tebel' (תֵּבֵל) verwijst naar de bewoonde wereld, terwijl 'melo'ah' (מְלֹאָהּ) betekent 'de volheid ervan'. God bezit niet alleen de aarde, maar alles wat erop leeft en groeit.