Tekst van Psalmen 148:10
"Wilde dieren en alle vee, kruipende dieren en gevleugelde vogels" (NBV21)
Woordstudie en Betekenis
Psalm 148:10 bevat vier categorieën dieren die worden opgeroepen om God te loven:
Wilde dieren (Hebreeuws: חַיָּה, chayyah) verwijst naar alle levende wezens die in de wildernis leven, van grote roofdieren tot kleinere wilde dieren. Het woord benadrukt de levenskracht die God in deze schepselen heeft gelegd.
Alle vee (כָּל-בְּהֵמָה, kol-behemah) omvat de gedomesticeerde dieren die de mens dienen - runderen, schapen, geiten en andere huisdieren. Het woord "alle" benadrukt dat geen enkel dier wordt uitgesloten van deze lofzang.
Kruipende dieren (רֶמֶשׂ, remes) beschrijft alle kleine dieren die zich voortbewegen over de grond - reptielen, insecten, wormen en andere kleine schepsels die vaak over het hoofd worden gezien.
Gevleugelde vogels (צִפּוֹר כָּנָף, tsippor kanaf) verwijst letterlijk naar "vogels van de vleugel" en omvat alle vliegende schepselen.
Context binnen Psalm 148
Dit vers staat in het hart van de tweede helft van Psalm 148, waar de aardse schepping wordt opgeroepen tot lof. Na de hemelse wezens (verzen 1-6) richt de psalm zich op de aarde, beginnend bij natuurelementen en culminerend in de dierenwereld. Vers 10 toont Gods zorg voor alle levende wezens, van het grootste tot het kleinste.