De tekst van Psalm 119:56
Psalm 119:56 luidt: 'Dit is mij ten deel gevallen, dat ik Uw bevelen bewaar' (HSV) of 'Dit is mijn aandeel geworden: dat ik uw voorschriften volg' (NBV). Dit vers vormt de afsluiting van de zayin-sectie (verzen 49-56) in deze langste psalm van de Bijbel.
Hebreeuwse betekenis en woordstudie
Het Hebreeuwse woord voor 'aandeel' of 'deel' is cheleq, dat verwijst naar een erfenis, bezit of toegewezen portie. Dit woord werd vaak gebruikt voor het land dat de Israëlieten als erfenis ontvingen. Het woord voor 'bevelen' is piqqudim, dat wijst op Gods zorgvuldige instructies en voorschriften.
De psalmist gebruikt bewust taal die doet denken aan materiële erfenis, maar past deze toe op het geestelijke gebied. Zijn grootste schat is niet goud of land, maar het privilege om Gods wet te mogen volgen.
Context binnen Psalm 119
Deze psalm is een acrostisch gedicht waarbij elke sectie van acht verzen begint met een letter van het Hebreeuwse alfabet. Vers 56 sluit de zayin-sectie af, waarin de psalmist spreekt over verdrukking, bespotting door goddelozen, en zijn reactie daarop door zich te richten op Gods wet.
In de voorafgaande verzen beschrijft de psalmist hoe hij temidden van tegenslagen troost vindt in Gods woord (vers 50) en hoe Gods inzettingen hem tot liedekens zijn geworden (vers 54). Vers 56 vormt de climax: dit alles heeft geleid tot de realisatie dat het volgen van Gods geboden zijn kostbaarste bezit is geworden.