De tekst van Numeri 36:3
Numeri 36:3 luidt in de NBV: 'Maar als zij trouwen met mannen uit andere Israëlitische stammen, dan wordt hun erfenis weggenomen van de erfenis van onze voorvaders en toegevoegd aan de erfenis van de stam waarbij zij gaan behoren. Dan wordt er dus iets weggenomen van het erfdeel dat ons door het lot is toegewezen.'
Context van het vers
Dit vers staat midden in een belangrijk juridisch debat over erfrecht in het oude Israël. De familiehoofden van de stam Manasse spreken hun zorgen uit over de dochters van Zelofchad, die eerder in Numeri 27 het recht hadden gekregen om te erven omdat hun vader geen zonen had achtergelaten.
De zorg om het stamerfgoed
Het Hebreeuwse woord voor 'erfenis' is נַחֲלָה (nachalah), dat niet alleen bezit aanduidt, maar ook het door God toegewezen deel van het beloofde land. Elke stam had een specifiek gebied gekregen door loting (גּוֹרָל, goral), en dit werd beschouwd als een heilige toewijzing van God zelf.
De mannen van Manasse maakten zich zorgen dat als deze vrouwen zouden trouwen met mannen uit andere stammen, hun landbezit permanent zou overgaan naar die andere stammen. In de toenmalige cultuur werd het bezit van een vrouw eigendom van haar echtgenoot en zijn familie.