De Opdracht aan Aäron en Zijn Zonen
In Numeri 18:7 geeft God een duidelijke en plechtige opdracht aan Aäron: 'Maar jij en je zonen met je moeten de priesterdienst verrichten bij alles wat met het altaar en met het gebied achter het gordijn te maken heeft. Ik geef jullie de priesterdienst als een geschenk. Een buitenstaander die te dicht in de buurt komt, moet sterven.'
De Betekenis van de Priesterdienst
Het Hebreeuwse woord voor priesterdienst is 'kehunnah' (כְּהֻנָּה), wat niet alleen de functie maar ook de eer en verantwoordelijkheid van het priesterschap aanduidt. God benadrukt hier dat uitsluitend Aäron en zijn mannelijke nakomelingen gerechtigd zijn om de heiligste taken in de tabernakel uit te voeren.
Het Altaar en het Allerheiligste
De tekst verwijst naar twee cruciale elementen van de tabernakeldienst:
Het altaar - Dit behelst zowel het brandofferaltaar in de voorhof als het reukofferaltaar in het Heilige. Deze altaren waren centrale plaatsen waar offers gebracht werden en waar verzoening plaatsvond.
Het gebied achter het gordijn - Dit verwijst naar het Allerheiligste (Kodesh HaKodashim), de heiligste ruimte waar alleen de hogepriester één keer per jaar mocht komen op de Grote Verzoendag.