De Namen van de Twaalf Apostelen
Matthëus 10:2 markeert een belangrijk moment in het evangelie: de formele introductie van de twaalf apostelen. De tekst luidt: "De namen van de twaalf apostelen zijn deze: De eerste Simon, genaamd Petrus, en Andreas zijn broeder; Jakobus de zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broeder."
Het Woord 'Apostelen'
Het Griekse woord 'apostoloi' (ἀπόστολοι) betekent letterlijk 'uitgezondenen' of 'afgevaardigden'. Dit benadrukt dat deze mannen niet zichzelf hebben aangesteld, maar door Jezus zijn gekozen en uitgezonden met een specifieke opdracht. Ze ontvingen goddelijke autoriteit om in Zijn naam te handelen.
Simon als 'De Eerste'
De beschrijving van Simon als 'de eerste' (Grieks: prōtos) heeft een dubbele betekenis. Het kan verwijzen naar zijn chronologische roeping, maar belangrijker nog naar zijn leiderschapsrol onder de apostelen. Zijn oorspronkelijke naam Simon wordt gevolgd door zijn door Jezus gegeven bijnaam Petrus (Kefas in het Aramees), wat 'rots' of 'steen' betekent.
Familie- en Broederbanden
Opvallend is hoe Mattheüs de familierelaties benadrukt: Simon en Andreas als broers, evenals Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs. Dit toont aan dat Jezus vaak hele families riep tot Zijn dienst. Deze mannen waren vissers uit Galilea, gewone arbeiders die God verhief tot buitengewone roeping.