Markus 8 telt achtendertig verzen en is het scharnier van het Markusevangelie. Het loopt van de spijziging van de vierduizend (vers 1 tot 9) via de blinde te Bethsaida (vers 22 tot 26) naar de vraag bij Cesarea Filippi: 'Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben?' Petrus antwoordt: 'Gij zijt de Christus' (vers 29). Direct daarna begint Jezus over Zijn lijden (vers 31) en volgt de oproep: 'Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij' (vers 34).
Markus of Marcus? Twee spellingen van hetzelfde hoofdstuk
Dit hoofdstuk wordt zowel als Markus 8 als als Marcus 8 geschreven, en het gaat om precies dezelfde tekst. De Statenvertaling en de Herziene Statenvertaling schrijven Markus, met een k; veel andere Nederlandse uitgaven schrijven Marcus, met een c, dichter bij de Latijnse naam. In Engelse bijbels heet het boek Mark. Bij het zoeken maakt dat verschil: 'Marcus 8 vers 36' en 'Markus 8:36' wijzen naar dezelfde regel. De volledige hoofdstuktekst in de Statenvertaling staat op Markus 8; over de HSV als vertaling leest u meer op de pagina over de Herziene Statenvertaling.
Inleiding: Een Keerpunt in het Markusevangelie
Markus hoofdstuk 8 vormt een cruciaal keerpunt in het evangelie. Na een periode van wonderlijke tekenen en onderwijs, bereikt Jezus' openbaring van zijn identiteit een hoogtepunt in Petrus' belijdenis. Tegelijkertijd introduceert Jezus het thema van zijn lijden en de kosten van navolging.