Inleiding tot Jozua 20
Jozua hoofdstuk 20 beschrijft een bijzonder onderdeel van Gods wet voor Israël: de instelling van zes vrijsteden of toevluchtsteden. Deze steden vormden een uniek rechtssysteem dat zowel gerechtigheid als barmhartigheid belichaamde. In een tijd waarin bloedwraak een normale reactie was op doodslag, bood God een alternatief dat bescherming bood aan degenen die per ongeluk iemand hadden gedood.
Het Doel van de Vrijsteden (vers 1-6)
God sprak tot Jozua en herinnerde hem aan de opdracht die Hij eerder aan Mozes had gegeven (Numeri 35). De vrijsteden hadden een duidelijk doel: bescherming bieden aan degenen die 'per ongeluk en zonder opzet' iemand hadden gedood. Het Hebrew woord 'bishgagah' betekent letterlijk 'door vergissing' of 'onbedoeld'.
Deze steden waren niet bedoeld voor moordenaars die met voorbedachten rade hadden gehandeld. Er was een duidelijk onderscheid tussen moord en doodslag door ongeluk. Dit toont Gods wijsheid in het rechtssysteem: gerechtigheid voor de daders van moord, maar barmhartigheid voor degenen die onschuldig waren aan moedwillige doding.
De Zes Aangewezen Steden (vers 7-9)
De zes vrijsteden waren strategisch verspreid over het hele land:
- Ten westen van de Jordaan: Kedes in Galilea, Sichem in het bergland van Efraïm, en Hebron in het bergland van Juda
- Ten oosten van de Jordaan: Bezer in de woestijn, Ramot in Gilead, en Golan in Basan