De tekst van Job 6:4
"Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods stellen zich tegen mij in slagorde." (Statenvertaling)
In modernere vertalingen luidt het vers: "De pijlen van de Almachtige hebben mij getroffen, hun gif zuigt mijn levenskracht weg; Gods verschrikkingen staan tegen mij opgesteld."
Context binnen Job hoofdstuk 6
Job 6:4 staat aan het begin van Job's eerste reactie op zijn vriend Elifaz. Na het verlies van zijn kinderen, bezittingen en gezondheid, had Elifaz hem toegesproken met de suggestie dat lijden het gevolg is van zonde. Job reageert hier heftig op en gebruikt krachtige beeldspraak om zijn lijden te beschrijven.
Betekenis van de Hebreeuwse woorden
Het Hebreeuwse woord voor "pijlen" (חצי, chitsiy) wordt hier metaphorisch gebruikt. In het oude Nabije Oosten werden vergiftigde pijlen gebruikt in de oorlogvoering. Job voelt zich letterlijk beschoten door God.
Het woord "Almachtige" (שדי, Shaddai) is een van de oudste namen voor God in de Bijbel. Het woord "venijn" of "gif" (חמה, chemah) kan ook "woede" betekenen, wat suggereert dat Job Gods toorn ervaart.
"Verschrikkingen" (בעותי, bi'utey) verwijst naar intense angst en terreur die Job overkomt.