Inleiding tot Job 37
Job hoofdstuk 37 vormt het hoogtepunt van Elihu's toespraken en bereidt de weg voor Gods eigen verschijning in hoofdstuk 38. In dit krachtige hoofdstuk gebruikt Elihu de weersverschijnselen als venster om Gods onmeetbare grootheid en majesteit te tonen. Het is een meesterlijke beschrijving van hoe de schepping getuigt van haar Schepper.
Gods Kracht in Donder en Bliksem (verzen 1-5)
Elihu begint met een persoonlijke reactie op Gods kracht: "Hierom ook beeft mijn hart en springt op van zijn plaats" (vers 1). Het Hebreeuwse woord voor 'beven' duidt op een diepe, eerbiedige vrees. Elihu beschrijft hoe Gods stem hoorbaar is in de donder - "de stem van Zijn majesteit" (vers 4).
De bliksem wordt beschreven als iets dat God "niet terughoudt" wanneer Zijn stem gehoord wordt. Dit geeft een beeld van Gods ongetemde kracht en autoriteit over de natuurelementen. Voor de oude Israëlieten waren donder en bliksem vaak tekenen van Gods tegenwoordigheid, zoals bij de wetgeving op de Sinaï.
Seizoenen en Weer onder Gods Controle (verzen 6-13)
Vervolgens toont Elihu hoe God de seizoenen beheerst. Sneeuw, regen en stormen zijn allemaal instrumenten in Gods hand. Vers 7 spreekt over hoe God "de hand van alle mensen verzegelt," wat betekent dat Hij mensen door weersinvloeden kan beperken in hun activiteiten.