Inleiding tot Job 11
Job hoofdstuk 11 markeert een keerpunt in de dialogen tussen Job en zijn vrienden. Na de speeches van Eliphaz (hoofdstuk 4-5) en Bildad (hoofdstuk 8), neemt nu Sofar de Naamathiet het woord. Zijn rede is de scherpste tot nu toe en toont een harde, meedogenloze benadering van Job's lijden.
Sofar's Aanval op Job's Woorden (verzen 1-6)
Sofar begint zijn rede met een directe aanval op Job's verdediging. Hij noemt Job's woorden 'veel gepraat' en beschuldigt hem van spot. Vers 2-3 laat zien hoe gefrustreerd Sofar is: 'Zou op veel woorden geen antwoord komen? Of zou een bazelaar gelijk krijgen? Zouden uw ijdele praatjes de mensen tot zwijgen brengen?'
Bijzonder scherp is vers 6, waar Sofar beweert dat God eigenlijk mild voor Job is: 'dat Hij u zou openbaren de geheimen der wijsheid, dat zij van tweeërlei verstand is; weet dan, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.' Volgens Sofar verdient Job eigenlijk nog meer straf dan hij nu ontvangt.
God's Ondoorgrondelijke Wijsheid (verzen 7-12)
In verzen 7-9 beschrijft Sofar de onpeilbare wijsheid van God met poëtische beelden. Hij wijst erop dat God's wijsheid 'hoog is als de hemelen', 'dieper dan het dodenrijk' en 'langer dan de aarde en breder dan de zee'. Deze verzen bevatten mooie theologie over God's grootheid, maar Sofar gebruikt ze om Job klein te maken.