De Tekst van Jesaja 50:6
Jesaja 50:6 luidt: 'Ik heb mijn rug geboden aan hen die mij sloegen, mijn wangen aan hen die mijn baard uitrukten. Mijn gezicht heb ik niet weggedraaid voor smaad en speeksel.' (NBV)
Context: Het Derde Knecht-Lied
Dit vers behoort tot het derde van de vier beroemde 'Knecht van de HEERE' liederen in Jesaja (50:4-9). De lijdende knecht spreekt hier in de eerste persoon over het lijden dat Hij vrijwillig ondergaat. Voor christenen is dit een profetische beschrijving van Jezus Christus' lijden.
Woordstudie en Beelden
Het Hebreeuwse werkwoord 'natan' (גבתי) betekent letterlijk 'geven' of 'overleveren'. De knecht geeft vrijwillig zijn rug aan degenen die hem slaan. Dit benadrukt het vrijwillige karakter van het lijden - het is geen noodlot, maar een bewuste keuze.
Het 'uitrukken van de baard' was in de Bijbelse cultuur een van de meest vernederende handelingen mogelijk. De baard symboliseerde mannelijke waardigheid en eer. Het uitrukken ervan was een uiterste vorm van vernedering en spot.
'Smaad en speeksel' verwijzen naar de publieke vernedering. Spuwen was een teken van minachting en afkeer. De knecht verbergt zijn gezicht niet - Hij ondergaat de vernedering volledig.