De Tekst van Jeremia 41:18
Jeremia 41:18 luidt: 'Ze waren bang voor hen omdat Jismael, zoon van Netanja, Gedalja, zoon van Achikem, had vermoord, die door de koning van Babel als gouverneur was aangesteld.'
Dit vers vormt de climax van een dramatisch hoofdstuk en verklaart waarom de overgebleven inwoners van Juda zo wanhopig waren om te vluchten naar Egypte.
Historische Context van Gedalja's Moord
Na de vernietiging van Jeruzalem in 586 v.Chr. stelde koning Nebukadnezar van Babylon Gedalja aan als gouverneur over het restant van Juda. Gedalja was een vredige leider die probeerde stabiliteit te brengen in een verscheurd land. Hij riep de mensen op om de Babyloniërs te dienen en in vrede te leven.
Jismael, van koninklijke afkomst, was jaloers op Gedalja's positie. Mogelijk gesteund door de Ammonieten, pleegde hij een gewelddadige staatsgreep waarin hij niet alleen Gedalja vermoordde, maar ook Babylonische soldaten en vele Judeeërs.
De Angst van het Volk
Het Hebreeuwse woord voor 'bang' (יָרֵא, yare) duidt op diepe vrees en ontzag. Het volk realiseerde zich dat Babylon wraak zou nemen voor de moord op hun aangestelde gouverneur. Deze angst was niet ongegrond - de Babyloniërs waren bekend om hun harde vergeldingsmaatregelen.