De Tekst van Jeremia 29:23
"Omdat zij dwaasheid gedaan hebben in Israël, en overspel gepleegd hebben met hunner naasten vrouwen, en vals woord gesproken hebben in Mijn Naam, hetwelk Ik hun niet bevolen had; en Ik ben het, Die het weet en een Getuige daarvan ben, spreekt de HEERE."
Context: Jeremia's Brief aan de Ballingen
Jeremia 29:23 vormt onderdeel van Gods oordeel over valse profeten tijdens de Babylonische ballingschap (586 v.Chr.). De profeet Jeremia schrijft een brief aan de weggevoerde Joden in Babylon, waarin hij waarschuwt tegen valse profeten die leugenachtige boodschappen verkondigen.
Twee Specifieke Valse Profeten
Dit vers refereert specifiek aan Achab, zoon van Kolaja, en Zedekia, zoon van Maaseja (vers 21-22). Deze mannen presenteerden zichzelf als Gods profeten, maar hun leven en boodschap waren corrupt.
Dubbele Zonde: Moreel en Spiritueel
Het Hebreeuwse woord voor 'dwaasheid' (nebalah) duidt op ernstige morele overtredingen die de gemeenschap schaden. De tekst noemt twee specifieke zonden:
1. Overspel: De valse profeten pleegden fysiek overspel met vrouwen van hun volksgenoten. Dit toont hun gebrek aan morele integriteit.
2. Valse Profetie: Zij spraken "vals woord" (debar sheqer) in Gods naam. Dit is spiritueel overspel - ontrouw aan God door Zijn naam te misbruiken voor eigen boodschappen.