Inleiding tot Hosea 13
Hosea hoofdstuk 13 vormt een van de meest dramatische hoofdstukken in het boek van de profeet Hosea. Het hoofdstuk presenteert een scherp contrast tussen Gods liefdevolle zorgen voor Israël en hun ondankbare reactie, wat leidt tot een onvermijdelijk oordeel. Tegelijkertijd klinkt er door de donkere wolken van toorn een straal van hoop door in de vorm van een belofte van verlossing.
Efraïms val door afgoderij (verzen 1-3)
Het hoofdstuk opent met een beschrijving van Efraïms (het noordelijke koninkrijk Israël) dramatische val van grootheid naar vernedering. Vers 1 herinnert eraan dat Efraïm ooit een machtige positie innam: "Toen Efraïm sprak, was er siddering." Deze stam had een leidende rol in Israël, maar hun schuld aan Baälverering bracht hun ondergang teweeg.
De verzen 2-3 beschrijven levendig hoe het volk zich overgeeft aan afgoderij. Ze maken zilveren afgoden en aanbidden kalveren - een directe verwijzing naar de gouden kalveren die Jerobeam I had opgericht in Dan en Betel. God vergelijkt hun vluchtige bestaan met morgennevel, dauw die vroeg verdwijnt, kaf dat wegwaait en rook die uit een venster trekt.