Inleiding tot Hosea 11
Hosea hoofdstuk 11 behoort tot de meest ontroerende passages in de Bijbel. Het toont Gods diepe liefde voor zijn volk Israël, vergelijkbaar met de liefde van een vader voor zijn kind. Ondanks Israëls voortdurende ontrouw en afgoderij, blijft Gods hart vol liefde en genade.
Gods Vaderliefde (Hosea 11:1-4)
Het hoofdstuk begint met de beroemde woorden: "Als Israel een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte uitgeroepen" (vers 1). Deze woorden verwijzen naar de uittocht uit Egypte, maar worden in het Nieuwe Testament ook toegepast op Jezus (Matteüs 2:15). God toont zich hier als een liefdevolle vader die zijn kind heeft opgevoed.
In vers 3-4 gebruikt God tedere beelden: "Ik nochtans leerde Efraim gaan; Hij nam ze op Zijn armen" (vers 3) en "Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde" (vers 4). Deze metafoor van het leren gaan illustreert hoe God geduldig en zorgzaam met Israël omging, zoals ouders met hun peuter.
Het Oordeel vanwege Ongehoorzaamheid (Hosea 11:5-7)
De stemming verandert dramatisch in vers 5-7. Ondanks Gods liefdevolle zorg, heeft Israël zich afgewend naar andere goden. Het gevolg is oordeel: "Hij zal in Egypteland niet wederkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren" (vers 5). Dit verwijst naar de dreigende ballingschap.
Vers 7 toont Gods pijn: "Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij." Het werkwoord dat de Statenvertaling met "blijft hangen" weergeeft, suggereert een hardnekkige rebellie die Gods hart breekt.