Paulus verdedigt zich voor de Hoge Raad (Handelingen 23:1-10)
Handelingen 23 opent met Paulus die zich moet verantwoorden voor de Hoge Raad, het hoogste Joodse rechtscollege. Paulus begint zijn verdediging met een opvallende bewering: "Broeders, ik heb tot op de dag van vandaag voor God geleefd met een volkomen zuiver geweten" (vers 1). Deze uitspraak toont Paulus' overtuiging dat zijn leven en werk in overeenstemming zijn met Gods wil.
De reactie van hogepriester Ananias is heftig - hij beveelt dat Paulus op de mond wordt geslagen. Paulus reageert scherp: "God zal u slaan, gewitkalkte muur!" (vers 3). Deze uitspraak lijkt op Jezus' woorden over gewitkalkte graven en toont Paulus' verontwaardiging over de onrechtvaardige behandeling.
De tactiek van verdeel en heers (Handelingen 23:6-10)
Paulus toont hier zijn wijsheid door de fundamentele theologische verschillen tussen Farizeeën en Sadduceeën te benutten. Hij verklaart: "Broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën; ter zake van de hoop en de opstanding der doden word ik berecht" (vers 6). Deze uitspraak veroorzaakt onmiddellijk verdeeldheid, omdat Sadduceeën de opstanding ontkennen terwijl Farizeeën er wel in geloven.
De situatie escaleert zo dat de Romeinse bevelhebber Claudius Lysias moet ingrijpen om Paulus te redden van het geweld dat dreigt los te barsten.