De tekst van Habakuk 2:6
Habakuk 2:6 luidt: 'Zullen die allen niet een spotlied op hem aanheffen, een hoonlied vol raadselachtige spreuken? Men zal zeggen: "Wee hem die ophoopt wat niet van hem is - hoelang nog? - en zich belast met pandgoed!"' (NBV)
Literaire vorm en structuur
Dit vers opent de eerste van vijf 'wee-uitspraken' (Hebreeuws: הוֹי, hoy) in Habakuk 2:6-20. De profeet gebruikt hier de literaire vorm van een spotzang of hoonlied (Hebreeuws: מָשָׁל, mashal). Deze vorm was gebruikelijk om vijanden te bespotten en hun ondergang te voorspellen.
De vraagvorm 'Zullen die allen niet...' is retorisch bedoeld - het antwoord is vanzelfsprekend 'ja'. De onderdrukten zullen inderdaad een spotlied aanheffen over hun onderdrukker.
Betekenis van kernwoorden
Het Hebreeuws woord מַרְבֶּה (marbeh) betekent 'vermeerderen' of 'ophopen'. Het gaat om systematische accumulatie van rijkdom. לֹא־לוֹ (lo-lo) betekent letterlijk 'niet van hem' - het benadrukt dat deze rijkdom onrechtmatig verkregen is.
De uitdrukking עַד־מָתַי (ad-matay, 'hoelang nog?') toont ongeduld en suggereert dat er een einde komt aan deze situatie. Het woord עֲבִיט (avit) verwijst naar onderpand of pand - bezit dat als zekerheid wordt gegeven voor schulden.