De Betekenis van Genesis 50:11
Genesis 50:11 beschrijft een bijzonder moment tijdens de begrafenis van Jacob: "Toen de inwoners van het land, de Kanaänieten, die rouwklacht bij de dorsvloer van Atad zagen, zeiden zij: 'Dit is een grote rouwklacht van de Egyptenaren.' Daarom noemde men die plaats Abel-Mizraim; zij ligt aan de overzijde van de Jordaan."
De Dorsvloer van Atad
De dorsvloer van Atad was een grote, vlakke plaats waar normaal gesproken graan gedorst werd. Het Hebreeuwse woord 'goren' (גֹּרֶן) verwijst naar zo'n dorsvloer, die vaak diende als gemeenschapsruimte. Deze locatie lag 'aan de overzijde van de Jordaan', wat duidt op de oostkant van de rivier, in het gebied dat later Moab zou worden.
De Indruk op de Kanaänieten
De Kanaänieten waren diep onder de indruk van de rouwklacht. Het Hebreeuwse woord 'misped' (מִסְפֵּד) betekent een formele, luide rouwklacht. De omvang en intensiteit van deze rouw was zo groot dat de lokale bevolking het opmerkte en er een blijvende naam aan gaf.
Abel-Mizraim: 'Rouw van de Egyptenaren'
De nieuwe naam 'Abel-Mizraim' (אָבֵל מִצְרָיִם) betekent letterlijk 'rouw van de Egyptenaren'. Dit toont aan dat de Egyptische stoet, geleid door Josef, zo'n indrukwekkende rouw vertoonde dat het de Kanaänieten opviel. Ironisch genoeg rouwden zij niet alleen om een Egyptenaar, maar om Jacob, de vader van het volk Israël.