De vraag van Farao naar hun beroep
In Genesis 47:3 stelt Farao een directe vraag aan Jozefs broers: 'Wat is uw beroep?' Deze vraag was allesbehalve neutraal. In het oude Egypte bepaalde iemands beroep grotendeels zijn sociale positie en maatschappelijke aanzien. Farao wilde weten met welke soort mensen hij te maken had.
Het eerlijke antwoord van de broers
De broers antwoorden zonder omhaal: 'Uw dienaren zijn herders, net als onze voorvaders.' Het Hebreeuwse woord voor herder hier is 'ro'eh' (רֹעֶה), wat letterlijk 'degene die voedt' of 'degene die zorgt voor' betekent. Dit woord wordt later ook gebruikt voor leiders en zelfs voor God zelf als de goede herder van Israël.
Opvallend is hun eerlijkheid. Ze hadden kunnen liegen of hun beroep kunnen verhullen, maar kiezen voor transparantie. Ze erkennen ook hun familietraditie door te verwijzen naar hun voorvaders - Abraham, Izaäk en Jakob waren immers ook herders geweest.
Sociale en culturele context
Herders hadden in Egypte een lage sociale status. Zoals Genesis 46:34 al voorspelde, waren herders 'een gruwel voor de Egyptenaren.' Egyptenaren zagen zichzelf als beschaafd en stedelijk, terwijl nomadische herders als primitief werden beschouwd. Deze vooroordelen zouden echter uitkomen in Gods plan.