Tekst en Vertaling
Genesis 36:4 luidt: "En Ada baarde Elifaz; en Basemath baarde Reuel." Dit vers is onderdeel van het uitgebreide geslachtsregister van Ezau, ook bekend als Edom.
Context in Genesis 36
Dit vers staat midden in de genealogie van Ezau's nakomelingen. De voorafgaande verzen introduceren Ezau's drie vrouwen: Ada (dochter van Elon de Hethiet), Aholibama (dochter van Ana) en Basemath (dochter van Ismael). Vers 4 noemt specifiek de kinderen van twee van deze vrouwen.
Betekenis van de Namen
De naam Elifaz (Hebreeuws: אֱלִיפַז) betekent "Mijn God is goud" of "God is verfijning." Deze Elifaz wordt later in de Bijbel genoemd als de vader van Amalek (vers 12), en mogelijk is hij gerelateerd aan Elifaz de Temaniet uit het boek Job.
De naam Reuel (Hebreeuws: רְעוּאֵל) betekent "vriend van God" of "God is mijn vriend." Interessant is dat deze naam ook voorkomt bij Mozes' schoonvader in Exodus 2:18.
Theologische Betekenis
Dit vers illustreert Gods trouw aan Zijn beloften. Hoewel Jakob de erfgenaam van de verbondsbeloften was, werd ook Ezau gezegend met een groot nageslacht, zoals God aan Abraham had beloofd (Genesis 17:20). Het laat zien dat Gods zegen zich uitstrekt beyond de directe verbondslijn.
De genealogie van Ezau vormt een belangrijk onderdeel van de heilsgeschiedenis, omdat het de oorsprong verklaart van de Edomieten, een volk dat regelmatig in conflict kwam met Israël maar ook onderdeel uitmaakte van Gods plan.