De tekst van Genesis 28:5
Genesis 28:5 luidt: 'Zo zond Isaak Jakob weg, en hij ging naar Paddan-Aram, naar Laban, de zoon van Bethuel, de Arameeër, de broer van Rebekka, de moeder van Jakob en Ezau.'
Letterlijke betekenis en context
Dit vers vormt het hoogtepunt van Isaaks zegen over Jakob in Genesis 28:1-5. Na de dramatische gebeurtenissen waarbij Jakob de zegen van zijn vader had verkregen door misleiding (Genesis 27), stuurt Isaak nu bewust zijn zoon weg met een officiële opdracht en zegen.
Paddan-Aram: de bestemming
Paddan-Aram betekent letterlijk 'vlakte van Aram' en verwijst naar het gebied in Mesopotamië waar Abrahams familie oorspronkelijk vandaan kwam. Dit is hetzelfde gebied waar Abraham zijn knecht naartoe had gestuurd om een vrouw voor Isaak te vinden (Genesis 24). De keuze voor deze bestemming is niet toevallig - het verbindt Jakob met zijn familiewortels en Gods beloften aan Abraham.
Laban: de oom
Laban wordt hier geïdentificeerd als 'de zoon van Bethuel, de Arameeër, de broer van Rebekka'. Deze uitgebreide genealogische beschrijving benadrukt het belang van familiebanden in de oudheid en legitimeert Jakobs reis. Laban was Rebekka's broeder en dus Jakobs oom van moeders kant.