De Overgang van Wet naar Genade
Galaten 4 vormt het hart van Paulus' betoog over christelijke vrijheid. Dit hoofdstuk laat zien hoe God Zijn volk heeft bevrijd van de slavernij van de wet en hen heeft aangenomen als Zijn kinderen door Jezus Christus.
Onvolwassenheid onder de Wet (4:1-7)
Paulus begint met een krachtige analogie. Hij vergelijkt de tijd onder de wet met een erfgenaam die nog minderjarig is. Hoewel hij eigenaar is van alles, verschilt hij in praktijk niet van een slaaf omdat hij onder voogden en verzorgers staat.
De 'elementen van de wereld' (vers 3) verwijzen naar de elementaire religieuze principes die mensen in slavernij hielden voordat Christus kwam. Dit gold zowel voor Joden onder de Mozaïsche wet als voor heidenen onder hun religieuze systemen.
De grote wending komt in vers 4-5: 'Maar toen de volheid des tijds gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, opdat Hij hen, die onder de wet waren, zou bevrijden, opdat wij het zoonschap zouden ontvangen.'
De Geest van Zoonschap (4:6-7)
Door Christus ontvangen gelovigen de Geest van Gods Zoon, die in onze harten roept: 'Abba, Vader!' Dit Aramese woord drukt de intieme, vertrouwelijke relatie uit die kleine kinderen met hun vader hebben. We zijn niet langer slaven, maar zonen en dochters, en daardoor ook erfgenamen.