Inleiding tot Ezechiel 6
Ezechiel hoofdstuk 6 vormt een krachtige profetie waarin God door de profeet Ezechiel spreekt tegen de bergen van Israël. Dit hoofdstuk, geschreven tijdens de Babylonische ballingschap, bevat zowel een scherp oordeel over de afgoderij als een boodschap van hoop voor een getrouw overblijfsel.
Profetie tegen de Bergen van Israël (vers 1-3)
Het hoofdstuk begint met Gods opdracht aan Ezechiel om zijn gezicht te richten naar de bergen van Israël en tegen hen te profeteren. De bergen worden hier symbolisch gebruikt - ze vertegenwoordigen niet alleen het fysieke landschap van Israël, maar ook de hoogteheiligdommen waar afgodenbeelden werden aanbeden.
De uitdrukking 'bergen van Israël' komt regelmatig voor in Ezechiel en benadrukt Gods eigendomsrecht over het Beloofde Land. Ondanks de komende verwoesting blijft het Zijn land.
Verwoesting van Afgodenbeelden en Hoogteheiligdommen (vers 4-7)
God kondigt een complete verwoesting aan van de afgodische aanbiddingsplaatsen. De hoogteheiligdommen zullen worden vernietigd, de wierookaltaren gebroken en de afgodenbeelden vermorzeld. Deze verwoesting is geen willekeurige daad van geweld, maar een rechtvaardige reactie op Israëls jarenlange ontrouw.
De tekst beschrijft hoe de lijken voor de afgodenbeelden zullen vallen - een bitter einde voor degenen die deze beelden hadden vereerd. Dit toont de nietigheid van afgoderij: de afgoden kunnen hun aanbidders niet beschermen wanneer het oordeel komt.