De tekst van Ezechiël 34:29
Ezechiël 34:29 luidt in de Statenvertaling: "En Ik zal hun een plant van naam verwekken, zodat zij niet meer weggeraapt zullen worden door den honger in het land, en zij de smaad der heidenen niet meer zullen dragen."
Context in hoofdstuk 34
Dit vers staat in het hart van Ezechiëls profetie over de herders van Israël. Na het oordeel over de slechte herders (vers 1-10) en Gods belofte om zelf hun herder te worden (vers 11-22), volgt een prachtige messiaanse profetie (vers 23-31). Vers 29 is onderdeel van de verbondsbelofte waarin God overvloed en veiligheid toezegt.
Betekenis van 'plant van naam'
Het Hebreeuwse 'neta shem' (נטע שם) wordt verschillend geïnterpreteerd. Sommige vertalingen spreken van een 'beroemde plant' of 'gewas van naam'. Dit kan letterlijk verwijzen naar:
- Uitzonderlijk vruchtbare gewassen
- Een figuurlijke uitdrukking voor voorspoed en overvloed
- Een messiaanse verwijzing naar de 'Spruit' uit het huis van David
Het einde van honger en schande
God belooft twee concrete dingen:
1. Geen honger meer: Het volk zal niet meer 'weggeraapt worden door honger' - een krachtige uitdrukking voor het einde van alle gebrek
2. Geen smaad meer: De 'smaad der heidenen' verwijst naar de spot en minachting die Israël heeft ervaren tijdens de ballingschap