De Eerste Confrontatie met Farao
Exodus 5:1 markeert een beslissend moment in de geschiedenis van Israël: "Daarna gingen Mozes en Aäron heen en zeiden tegen de farao: 'Zo zegt de HEER, de God van Israël: Laat mijn volk gaan, opdat zij Mij een feest vieren in de woestijn.'"
Betekenis van de Woorden
De uitdrukking "Zo zegt de HEER" (Hebreeuws: כֹּה אָמַר יְהוָה, koh amar YHWH) is een klassieke profetische formule. Mozes en Aäron spreken niet uit eigen autoriteit, maar als boodschappers van de almachtige God. Het gebruik van de naam YHWH (vertaald als HEER) benadrukt Gods verbondsrelatie met Israël en Zijn absolute soevereiniteit.
De beroemde woorden "Laat mijn volk gaan" (שַׁלַּח אֶת־עַמִּי, shalach et-ammi) worden het refrein van de bevrijding. God claimt Israël als "Mijn volk", wat een directe uitdaging vormt aan farao's eigendomsrechten over de Israëlieten als slaven.
Context in het Verhaal
Dit vers volgt op hoofdstuk 4, waar God Mozes en Aäron voorbereidt op hun missie. Na hun terugkeer naar Egypte en het verzamelen van de oudsten, gaan zij nu rechtstreeks naar het paleis. De confrontatie vindt plaats in de troonzaal van de machtigste heerser ter wereld.