Inleiding tot Exodus 39
Exodus hoofdstuk 39 beschrijft de daadwerkelijke vervaardiging van de priesterkleding die God in hoofdstuk 28 had voorgeschreven. Dit hoofdstuk toont de nauwgezette uitvoering van Gods instructies voor de heilige gewaden van Aäron en zijn zonen. Het benadrukt het belang van precisie en gehoorzaamheid in de dienst aan God.
De Efod en de Borstplaat (vers 1-21)
De efod was het belangrijkste kledingstuk van de hogepriester, gemaakt van goud, blauw, purper en karmozijn garen en fijn linnen. Op de schouderstukken werden twee onyxstenen geplaatst met de namen van de twaalf stammen van Israël, zes namen op elke steen. Dit symboliseerde dat de hogepriester het hele volk voor God droeg.
De borstplaat van het oordeel was bevestigd aan de efod en bevatte twaalf edelstenen, elk met de naam van een stam van Israël. In de borstplaat werden ook de Urim en Thummim geplaatst, waarmee God Zijn wil bekendmaakte. Deze kostbare stenen herinneren ons eraan dat elke gelovige kostbaar is in Gods ogen.
De Mantel, Tulband en Gordel (vers 22-31)
De mantel van de efod was geheel blauw en had een geweven opening voor het hoofd. Aan de zoom hingen afwisselend granaatappels van gekleurd garen en gouden belletjes. De belletjes kondigden de bewegingen van de hogepriester aan wanneer hij het heiligdom binnentrad.