Inleiding tot Exodus 33
Exodus 33 vormt een keerpunt in de geschiedenis van Israël. Na de catastrofe met de gouden kalf in hoofdstuk 32 staat de relatie tussen God en zijn volk op het spel. Dit hoofdstuk toont ons hoe genade triomfeert over oordeel en hoe God zijn plannen met zijn volk voortzet ondanks hun ontrouw.
Gods Dreigement en Belofte (verzen 1-3)
God bevestigt zijn belofte aan Abraham, Izaäk en Jakob door Israël naar het Beloofde Land te leiden. Echter, Hij dreigt zelf niet mee te gaan vanwege Israëls halsstarrigheid. "Want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere" (vers 3).
Deze spanning tussen Gods trouw aan zijn verbond en zijn heiligheid tegenover de zonde is cruciaal. God houdt zijn beloften, maar zonde heeft gevolgen. De aanwezigheid van de heilige God zou vernietigend zijn voor een zondig volk.
Israëls Rouw en Berouw (verzen 4-6)
Het volk reageert met oprechte rouw: "Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich." (vers 4) Deze reactie toont dat het besef van Gods afwezigheid verschrikkelijker is dan welk ander oordeel ook.
God gebiedt het volk hun sieraden af te leggen, mogelijk als teken van verootmoediging maar ook omdat God zegt: "Ik zal weten, wat Ik u doen zal" (vers 5). Dit suggereert dat Gods beslissing nog niet definitief is.
De Tent van Samenkomst (verzen 7-11)
Mozes plaatst een tent buiten het kamp waar God met hem spreekt "aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt" (vers 11). Deze tent wordt een symbool van Gods toegankelijkheid ondanks de crisis.