De tekst van Exodus 32:7
'Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, daal af, want uw volk, dat gij uit Egypte hebt opgeleid, heeft het bedorven.'
Gods toorn en teleurstelling
Exodus 32:7 markeert een dramatisch keerpunt in de relatie tussen God en Israël. Het Hebreeuwse woord 'shichet' (שִׁחֵת) dat hier wordt vertaald met 'bedorven', betekent letterlijk 'verderven', 'corrumperen' of 'vernietigen'. Dit sterke woord toont de ernst van Israëls zonde.
Opvallend is dat God tegen Mozes zegt 'uw volk' in plaats van 'mijn volk'. Deze woordkeus toont Gods diepe teleurstelling en afkeer van de afgoderij. Het volk dat Hij zojuist uit Egypte had bevrijd en aan de voet van de Sinaï Zijn verbond had gegeven, was al afgeweken van de ware aanbidding.
Context van het gouden kalf
Dit vers staat in de context van het verhaal van het gouden kalf (Exodus 32). Terwijl Mozes veertig dagen en nachten op de berg Sinaï was om de wet te ontvangen, werd het volk ongeduldig. Zij vroegen Aäron om 'goden' te maken die voor hen zouden uitgaan (vers 1). Het resultaat was een gouden kalf, geïnspireerd door Egyptische en Kanaänitische godenbeelden.