De Heilige Priestergewaden in Exodus 28:4
Exodus 28:4 geeft een overzicht van de heilige kledingstukken die gemaakt moeten worden voor Aäron en zijn zonen om God te kunnen dienen als priesters. Dit vers introduceert zes specifieke kledingstukken die essentieel waren voor de priesterlijke dienst in de tabernakel.
Betekenis van de Priesterlijke Kledingstukken
Het borstschild (חֹשֶׁן, choshen) was het meest heilige kledingstuk, versierd met twaalf edelstenen die de twaalf stammen van Israël vertegenwoordigden. Het bevatte ook de Urim en Tummim, waarmee de hogepriester Gods wil kon raadplegen.
Het priesterhemd (אֵפוֹד, ephod) was een kunstig geweven kledingstuk van goud, blauw, purper en karmozijnrood garen. Op de schouderstukken waren twee onyxstenen bevestigd met de namen van Israëls stammen.
De priesterrok (מְעִיל, me'il) was een lange, blauwe mantel zonder mouwen die over de tuniek werd gedragen. Aan de zoom hingen gouden belletjes en granaatappels van gekleurde stof.
De gestreepte tuniek vormde het basisonderkleed, gemaakt van fijn linnen en kunstig geweven.
De hoofddoek (מִצְנֶפֶת, mitznefet) was een tulbandachtige hoofdbedekking van fijn linnen, waarop een gouden plaat met 'Heilig voor de HEER' werd bevestigd.
De gordel was een ceremoniële ceintuur van dezelfde kostbare materialen als het ephod.