De tekst van Deuteronomium 29:26
Deuteronomium 29:26 luidt: 'omdat zij heengegaan zijn en andere goden gediend hebben en zich voor hen neergebogen hebben, goden die zij niet kenden en die Hij hun niet had toegewezen.'
Context binnen Deuteronomium 29
Dit vers staat in het hart van Mozes' afscheidstoespraak aan Israël. Het hoofdstuk behandelt de verborgen dingen van God (vers 29) en waarschuwt voor de gevolgen van ontrouw aan het verbond. Vers 26 verklaart specifiek waarom Gods toorn zou ontsteken tegen zijn volk: vanwege afgoderij.
Betekenis van kernwoorden
Het Hebreeuwse woord voor 'gediend hebben' is avad, wat duidt op dienstbaarheid en aanbidding. Het woord voor 'neergebogen' is shachah, wat letterlijk betekent 'zich nederwerpen' of 'eer bewijzen'. Deze woorden tonen de ernst van de afgoderij - het gaat om volledige toewijding aan valse goden.
'Goden die zij niet kenden' verwijst naar het ontbreken van een echte relatie. In tegenstelling tot de levende God, die zich heeft geopenbaard aan Israël, zijn deze afgoden vreemd en machteloos.
Theologische betekenis
Dit vers benadrukt het exclusieve karakter van de relatie tussen God en zijn volk. God heeft Israël uitverkoren en zich aan hen bekendgemaakt. Afgoderij is daarom niet alleen religieuze dwaling, maar ook verbondsbreuk en ondankbaarheid.
De frase 'die Hij hun niet had toegewezen' toont Gods soevereiniteit over aanbidding. Alleen God bepaalt hoe Hij aanbeden wil worden.