Gods heilige volk (Deuteronomium 14:1-2)
Deuteronomium 14 begint met een krachtige herinnering aan Israëls identiteit: "Jullie zijn kinderen van de HEER, jullie God." Deze opening benadrukt de bijzondere relatie tussen God en Zijn volk. Mozes verbiedt heidense rouwrituelen zoals het maken van kaalgeschoren plekken of snijwonden bij overlijden. Deze praktijken waren gebruikelijk bij omringende volkeren, maar Israël moest zich onderscheiden.
De reden voor dit verbod ligt in hun roeping tot heiligheid. Als Gods uitverkoren volk moesten zij anders leven dan de heidenen. Hun identiteit als kinderen van God bepaalde hun gedrag, ook in tijden van verdriet.
Reine en onreine dieren (Deuteronomium 14:3-21)
Een groot deel van hoofdstuk 14 behandelt de spijswetten - welke dieren wel en niet gegeten mochten worden. Deze wetten zijn vergelijkbaar met die in Leviticus 11, maar hier herhaalt Mozes ze voor de nieuwe generatie.
Zoogdieren (vers 4-8)
Reine zoogdieren moesten twee kenmerken hebben: herkauwend zijn én gespleten hoeven hebben. Voorbeelden zijn runderen, schapen, geiten en herten. Varkens waren onrein omdat ze wel gespleten hoeven hebben maar niet herkauwen. Konijnen en hazen waren onrein omdat ze wel herkauwen maar geen gespleten hoeven hebben.
Waterdieren (vers 9-10)
Vissen waren alleen rein als ze zowel vinnen als schubben hadden. Dit sloot schaaldieren zoals kreeften en oesters uit.