Moses Begint Zijn Afscheidstoespraak
Deuteronomium hoofdstuk 1 opent het vijfde boek van Mozes met een krachtige afscheidstoespraak. Na veertig jaar in de woestijn staat het volk Israël aan de rand van het beloofde land. Moses, nu 120 jaar oud, weet dat zijn tijd gekomen is. Hij mag het beloofde land wel zien, maar niet betreden.
De historische setting is cruciaal: we bevinden ons in het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte, in de elfde maand. Het volk staat in de vlakten van Moab, aan de oostkant van de Jordaan, tegenover Jericho. Deze toespraak vormt Moses' testament aan het volk dat hij veertig jaar heeft geleid.
God Roept Tot Actie (vers 6-8)
Moses herinnert het volk eraan hoe God bij de berg Horeb (Sinaï) tot hen sprak: "Lang genoeg hebt u bij deze berg doorgebracht. Breek op en trek verder." Dit was Gods directe opdracht om het beloofde land in bezit te nemen. God had Abraham, Isaak en Jakob beloofd dat hun nakomelingen dit land zouden erven.
Deze woorden benadrukken dat God niet wil dat Zijn volk stilstaat in hun geestelijke groei. Er komt een tijd dat we vooruit moeten gaan in geloof, ook al voelt de huidige situatie veilig aan.
Het Verhaal van de Verkenners (vers 19-25)
Moses haalt het dramatische verhaal aan van de twaalf verkenners die het beloofde land verkenden. Zij brachten prachtige vruchten mee als bewijs van de vruchtbaarheid van het land. "Het is een goed land dat de HEERE, onze God, ons geeft," rapporteerden zij.