Het Oordeel over Moab (Amos 2:1-3)
Amos hoofdstuk 2 opent met Gods oordeel over Moab, een volk dat ten oosten van de Dode Zee woonde. De specifieke aanklacht tegen Moab betreft het schenden van menselijke waardigheid, zelfs na de dood. Moab had de beenderen van de koning van Edom verbrand tot kalk, een daad die als uiterst respectloos werd beschouwd in de Oude Nabije Oosten.
Deze aanklacht toont dat Gods rechtvaardigheid zich uitstrekt tot alle volken, niet alleen tot Israël. God houdt rekening met universele morele normen die alle mensheid binden.
Het Oordeel over Juda (Amos 2:4-5)
Vervolgens richt Amos zich tot Juda, het zuiderlijke koninkrijk. De aanklacht hier is theologisch van aard: zij hebben Gods wet verworpen en Zijn geboden niet gehouden. Hun leugens - waarschijnlijk verwijzend naar afgoderij en valse religieuze praktijken - hebben hen op het verkeerde pad gebracht.
Dit oordeel raakt het hart van de verbondsrelatie tussen God en Zijn volk. Juda wordt niet veroordeeld vanwege algemene morele overtredingen, maar vanwege het verbreken van hun speciale relatie met God.
Het Oordeel over Israël (Amos 2:6-16)
Het grootste deel van hoofdstuk 2 is gewijd aan Gods aanklacht tegen Israël, het noordelijke koninkrijk. Deze uitgebreide sectie vormt het hoogtepunt van Amos' eerste reeks oordelen.