De Uitspraak van Israëls Stammen
2 Samuel 5:2 bevat de cruciale woorden waarmee de stammen van Israël David tot koning over heel Israël aanstellen: 'Ook vroeger, toen Saul nog koning over ons was, waart gij het, die Israël uitleiddet en inbracht; en de HEERE heeft tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult een voorganger zijn over Israël.'
Historische Context en Betekenis
Deze uitspraak markeert een keerpunt in Israëls geschiedenis. Na de dood van Isboseth, Sauls zoon die over de noordelijke stammen regeerde, erkennen alle stammen van Israël David als hun rechtmatige koning. Ze bevestigen drie fundamentele waarheden over Davids leiderschap.
Ten eerste erkennen ze Davids bewezen militaire leiderschap onder koning Saul. Het Hebreeuwse werkwoord voor 'uitleidden en inbrengen' (יצא ובא - yatsa v'vo) is militaire terminologie die duidt op het aanvoeren van troepen in de strijd en het veilig terugbrengen naar huis.
Gods Roeping als Herder-Koning
Ten tweede wijzen ze op Gods profetische roeping van David. Het woord 'weiden' (רעה - ra'ah) is bijzonder betekenisvol. Dit Hebreeuwse werkwoord betekent letterlijk herderen, wat perfect aansluit bij Davids achtergrond als schaapherder. God roept David om Zijn volk te leiden zoals een herder zijn kudde leidt - met zorg, bescherming en wijsheid.