David's Vertrouwen op God's Trouw
2 Samuel 23:5 vormt onderdeel van David's laatste woorden en bevat een van de meest krachtige uitspraken over God's verbondstrouw in het Oude Testament. In dit vers erkent David eerlijk zijn eigen en zijn familie's tekortkomingen, maar spreekt tegelijkertijd vol vertrouwen over God's onwankelbare belofte.
De Tekst Nader Bekeken
In de NBV luidt vers 5: "Al is mijn familie niet zo bij God, toch heeft hij met mij een eeuwig verbond gesloten, in alle opzichten welgeordend en veilig. Al wat mijn redding en vreugde uitmaakt – zou hij dat niet laten groeien?"
Het Hebreeuwse woord voor 'eeuwig verbond' is berît 'ôlām, wat wijst op een onverbreekbare overeenkomst die voor altijd geldt. Dit verbond verwijst naar de belofte die God aan David gaf in 2 Samuel 7, waarin Hij beloofde dat David's nageslacht eeuwig op de troon zou zitten.
Davidische Bescheidenheid en Goddelijke Genade
Opvallend is David's eerlijkheid over zijn familie: "Al is mijn familie niet zo bij God." David erkent de realiteit van menselijk falen. Hij denkt mogelijk aan zijn eigen zonden (zoals de zaak met Batseba) en de problemen in zijn familie (Amnon, Absalom). Toch laat deze erkenning zijn vertrouwen op God niet wankelen.