De Moed van Jojada in het Zevende Jaar
2 Kronieken 23:1 markeert een beslissend keerpunt in de geschiedenis van het koninkrijk Juda: 'In het zevende jaar nam Jojada moed en sloot een verbond met de bevelhebbers van honderd: Azarja, de zoon van Jeroham, Ismaël, de zoon van Johanan, Azarja, de zoon van Obed, Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri.'
Het Hebreeuws Woord voor Moed
Het Hebreeuwse woord dat hier voor 'moed' wordt gebruikt is 'chazaq', wat letterlijk 'sterk worden' of 'zich versterken' betekent. Dit suggereert dat Jojada zich innerlijk voorbereidde en kracht verzamelde voor wat komen ging. Het was geen impulsieve actie, maar een weloverwogen beslissing na zeven jaar van gebed en voorbereiding.
De Betekenis van het Verbond
Jojada sloot een verbond (Hebreeuws: 'berit') met vijf bevelhebbers van honderd soldaten. Dit waren militaire leiders die elk honderd man onder hun bevel hadden. De naam van elk van deze mannen wordt specifiek genoemd, wat de historische betrouwbaarheid van het verhaal onderstreept. Deze mannen waren bereid om hun leven te riskeren voor Gods plan en de rechtmatige koning.