De Profetische Boodschap van Hulda
2 Koningen 22:15 markeert het begin van een cruciale profetische boodschap in de Bijbel: 'Zij zeide tegen hen: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen de man die jullie naar mij toe heeft gestuurd.' Deze woorden komen uit de mond van de profetes Hulda en vormen een keerpunt in het verhaal van koning Josia's hervormingen.
De Profetische Formule
Hulda begint haar boodschap met de klassieke profetische formule 'Zo zegt de HEER' (Hebreeuws: koh amar YHWH). Deze formule werd door alle Bijbelse profeten gebruikt om aan te geven dat zij niet hun eigen woorden spraken, maar dat God door hen heen sprak. Het Hebreeuwse woord koh betekent letterlijk 'zo' of 'aldus', terwijl amar staat voor 'zeggen' of 'spreken'.
De Context van het Wetboek
De situatie waarin Hulda spreekt is dramatisch. Koning Josia heeft tijdens renovatiewerkzaamheden in de tempel een wetboek laten vinden - waarschijnlijk (delen van) het boek Deuteronomium. Toen de koning de inhoud hoorde, scheurde hij zijn kleren van verdriet omdat hij besefte hoe ver Juda was afgeweken van Gods geboden.
Hulda als Vrouwelijke Profeet
Opvallend is dat Josia's afgezanten naar een vrouwelijke profeet worden gestuurd. Dit toont aan dat God zowel door mannen als vrouwen sprak in het Oude Testament. Hulda woonde in Jeruzalem en was getrouwd met Shallum, de kleerenbewaarder van de koning. Haar profetische autoriteit werd volledig erkend.