Inleiding tot 1 Thessalonicenzen 2
In het tweede hoofdstuk van 1 Thessalonicenzen verdedigt Paulus zijn bediening in Tessalonica en toont hij zijn diepe liefde voor de gemeente. Dit hoofdstuk geeft ons een uniek inkijkje in het hart van een apostel die oprecht bekommerd is om het geestelijke welzijn van zijn geestelijke kinderen.
Paulus verdedigt zijn motieven (verzen 1-6)
Paulus begint met te benadrukken dat zijn bezoek aan Tessalonica niet vruchteloos was. Ondanks de vervolging in Filippi kwam hij moedig het evangelie verkondigen. Hij benadrukt drie belangrijke aspecten van zijn bediening:
Oprechte motieven: Paulus verkondigt niet uit misleiding, onreinheid of list (vers 3). In een tijd waarin vele filosofen en religieuze leraren rondreisden voor persoonlijk gewin, stelt Paulus duidelijk dat zijn motieven zuiver zijn.
Goddelijke opdracht: Hij is toevertrouwd met het evangelie door God zelf (vers 4). Paulus zoekt niet de goedkeuring van mensen, maar van God die de harten kent.
Geen eigenbelang: Hij zocht geen eer van mensen en maakte geen gebruik van zijn apostolische autoriteit voor persoonlijk voordeel (verzen 5-6).
Paulus als zorgzame voedster en vader (verzen 7-12)
In een prachtig beeld vergelijkt Paulus zichzelf met een voedster die haar eigen kinderen koestert (vers 7). Deze vergelijking toont de tedere, zorgzame kant van apostolische bediening: