De tekst van 1 Samuel 12:5
In 1 Samuel 12:5 lezen we: "Hij zeide tot hen: De HEERE zij getuige tegen u, en zijn gezalfde zij heden getuige, dat gij niets in mijn hand gevonden hebt. En hij zeide: Hij zij getuige."
Context van Samuel's afscheidstoespraak
Dit vers vormt het hoogtepunt van Samuel's verdediging van zijn integriteit als rechter en profeet over Israël. Na jarenlang trouw leiderschap staat Samuel op het punt zijn rol over te dragen aan koning Saul. Voor deze overgang definitief wordt gemaakt, houdt hij een afscheidstoespraak waarin hij zijn geweten zuivert.
In de voorgaande verzen (12:3-4) heeft Samuel het volk gevraagd of hij hen ooit heeft beroofd, onderdrukt of omgekocht. Het volk heeft unaniem geantwoord dat hij niets verkeerd heeft gedaan. Nu roept Samuel plechtig getuigen op.
Het roepen van getuigen
Het Hebreeuwse woord voor 'getuige' is 'ed' (עֵד), wat duidt op iemand die persoonlijke kennis heeft van feiten en daarover kan getuigen. In het oude Israël was het roepen van getuigen een juridische handeling van groot gewicht.
Samuel roept twee getuigen op:
1. De HEERE (YHWH) - God zelf als hoogste getuige
2. Zijn gezalfde - koning Saul, die net is aangesteld