De tekst van 1 Kronieken 9:7
1 Kronieken 9:7 luidt: 'Van de Benjaminieten: Sallu, de zoon van Mesullam, de zoon van Hodawja, de zoon van Hassenuwa.'
Context van het hoofdstuk
Dit vers maakt deel uit van een uitgebreide genealogische lijst in 1 Kronieken 9, die de bewoners van Jeruzalem beschrijft na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De kroniekschrijver geeft hier systematisch de namen van families uit verschillende stammen die zich opnieuw vestigden in de heilige stad.
De stam Benjamin
De stam Benjamin had een bijzondere positie in Israël. Hoewel een van de kleinste stammen, speelde Benjamin een cruciale rol in de geschiedenis. Jeruzalem lag op de grens tussen Juda en Benjamin, waardoor Benjaminieten van oudsher een sterke band hadden met de hoofdstad.
Betekenis van de namen
De Hebreeuwse namen in dit vers hebben elk hun eigen betekenis:
- Sallu (שלוא): mogelijk 'vergolden' of 'gewogen'
- Mesullam (משלם): 'vriend' of 'bondgenoot'
- Hodawja (הודויה): 'lof van de HEER'
- Hassenuwa (הסנואה): 'de gehate' of 'de omhulde'
Theologische betekenis
Deze genealogie toont Gods trouw aan zijn beloften. Ondanks zeventig jaar ballingschap bleef God zijn verbond gestand doen. De zorgvuldige registratie van namen en stammen benadrukt de continuïteit van Gods volk en zijn plan voor herstel.