De Context van Davids Gebed
1 Kronieken 17:16 vormt het begin van een van de mooiste gebeden in de Bijbel. Na het ontvangen van Gods verbondsbelofte door de profeet Natan, reageert koning David met diepe nederigheid en verwondering. Het vers luidt: 'Toen ging koning David naar binnen, ging voor de HEER zitten en zei: Wie ben ik, HEER God, en wat stelt mijn familie voor, dat u mij zo ver hebt gebracht?'
De Betekenis van Davids Houding
Het Hebreeuws gebruikt hier het werkwoord 'yashab' (ישב) voor 'zitten', wat een houding van respect en aandachtige aanbidding aanduidt. David gaat naar de heilige plaats - waarschijnlijk de tabernakel waar de ark des verbonds stond - en neemt een positie in van eerbied voor Gods aanwezigheid.
Davids Nederige Zelfreflectie
De vraag 'Wie ben ik?' (Hebreeuws: 'mi anochi' - מי אנכי) drukt meer uit dan bescheidenheid. Het is een erkenning van Davids besef dat hij uit zichzelf niets is. Als jongste zoon van een herder uit het kleine Bethlehem had hij naar menselijke maatstaven geen aanspraak op het koningschap. Ook de vraag naar zijn 'huis' (bet - בית) verwijst naar zijn familie of geslacht, dat evenmin van adellijke afkomst was.