De tekst van 1 Kronieken 15:11
"En David riep Zadok en Abjatar, de priesters, en de Levieten: Uriël, Asaja, Joël, Semaja, Eliël en Amminadab."
David roept de juiste personen
In dit vers zien we koning David die de juiste mensen bijeenroept voor een heilige taak: het overbrengen van de ark van het verbond naar Jeruzalem. Dit staat in scherp contrast met zijn eerdere poging in hoofdstuk 13, waarbij hij de Godgegeven instructies niet had gevolgd en Uzza omkwam.
David noemt eerst Zadok en Abjatar, de twee hogepriester. Zadok zou later de enige hogepriester worden onder Salomo. Abjatar was een nakomeling van Eli en had David trouw gediend tijdens zijn vlucht voor Saul.
De betekenis van de genoemde Levieten
De zes genoemde Levieten vertegenwoordigen de hoofden van de Levietenfamilies:
- Uriël - uit de familie van Kehat
- Asaja - uit de familie van Merari
- Joël - uit de familie van Gerson
- Semaja, Eliël en Amminadab - eveneens familiehoofden
Het Hebreeuwse woord voor 'riep' (קָרָא, qara) duidt op een officiële oproep of convocatie. David handelt nu als theocratisch koning die Gods wet respecteert.
Gehoorzaamheid aan Gods instructies
Dit vers illustreert een cruciale wending in David's benadering. Na zijn eerdere fout beseft hij dat God specifieke instructies had gegeven over wie de ark mocht dragen. Alleen de Levieten, en specifiek de Kehatieten, waren door God aangesteld voor deze heilige taak (Numeri 4:15).