De tekst van 1 Kronieken 12:11
1 Kronieken 12:11 luidt: "Attai was de zesde, Eliël de zevende." Dit vers is onderdeel van een lijst met namen van moedige krijgslieden uit de stam Benjamin die zich bij David voegden tijdens zijn ballingschap in Ziklag.
Context van het hoofdstuk
Hoofdstuk 12 beschrijft een cruciaal moment in Davids leven. Hij bevond zich op de vlucht voor koning Saul en verbleef in Ziklag, een Filistijnse stad. Ondanks de gevaarlijke situatie kozen verschillende krijgslieden ervoor om zich bij David aan te sluiten, wetende dat dit hun leven op het spel zette.
Betekenis van de namen
De namen Attai (עַתַּי) en Eliël (אֱלִיאֵל) hebben beide een spirituele betekenis. Attai betekent waarschijnlijk "geschikt" of "tijdig", terwijl Eliël "God is mijn God" betekent. Deze namen weerspiegelen het vertrouwen dat deze mannen hadden in Gods timing en soevereiniteit.
Theologische betekenis
Dit vers illustreert hoe God mensen verzamelde rond David voordat hij officieel koning werd. Deze Benjaminieten toonden buitengewone moed door hun eigen stam (die Saul steunde) te verlaten en hun lot te verbinden aan David. Hun daad van loyaliteit prefigureert hoe God een koninkrijk bouwt door trouwe volgelingen te verzamelen.