De Tekst van 1 Koningen 20:9
1 Koningen 20:9 luidt: 'Toen zei hij tot de boodschappers van Ben-Hadad: Zegt tot mijn heer, de koning: Al wat gij ten eerste aan uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar dit ding kan ik niet doen. En de boodschappers gingen weg en brachten hem antwoord.'
Context van het Conflict
Dit vers staat centraal in een gespannen diplomatieke uitwisseling tussen koning Ahab van Israël en Ben-hadad van Aram (Syrië). Ben-hadad had Samaria, de hoofdstad van Israël, belegerd en twee opeenvolgende eisen gesteld. De eerste eis betrof Ahabs persoonlijke bezittingen: zijn zilver, goud, vrouwen en kinderen. Tot ieders verbazing stemde Ahab hiermee in, wat zijn zwakke positie en desperatie toonde.
Ahabs Grens
De tweede eis ging echter veel verder. Ben-hadad wilde zijn dienaren naar Samaria sturen om het koninklijk paleis en de huizen van alle ambtenaren systematisch te doorzoeken en alles van waarde weg te nemen. Deze eis zou niet alleen Ahab vernederd hebben, maar ook zijn hele regering en de vooraanstaande burgers van Israël.
Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt voor 'dit ding' (הדבר הזה - hadavar hazeh) duidt op iets specifieks en concreets. Ahab erkent zijn zwakke positie door Ben-hadad nog steeds 'mijn heer, de koning' te noemen, maar stelt tegelijkertijd een duidelijke grens.