De Context van 1 Koningen 1:51
1 Koningen 1:51 beschrijft een dramatisch moment in de Israëlitische geschiedenis. Nadat Salomo tot koning werd gezalfd, hoorde zijn halfbroer Adonija het nieuws. Adonija had zichzelf eerder tot koning uitgeroepen, maar werd nu geconfronteerd met de realiteit dat Salomo de rechtmatige opvolger van David was geworden.
Het Grijpen van de Altaarhoornen
De tekst vertelt ons: 'En men boodschapte Salomo, zeggende: Zie, Adonija vreest den koning Salomo; want zie, hij heeft de hoornen des altaars aangegrepen.' Het Hebreeuwse woord voor 'aangegrepen' (חזק - chazaq) betekent letterlijk 'vastgrijpen' of 'zich stevig vasthouden aan'.
In het oude Israël waren de hoornen van het altaar (קרנות המזבח - qarnot ha-mizbeach) symbolische uitsteeksels op de vier hoeken van het altaar. Deze hoornen hadden een bijzondere betekenis: zij vertegenwoordigden Gods macht en bescherming. Volgens de wet van Mozes kon iemand die onopzettelijk iemand had gedood, bescherming zoeken bij het altaar (Exodus 21:13-14).
Adonija's Vrees en Verzoek
Adonija's actie toont zijn diepe vrees voor Salomo's wraak. Hij had immers geprobeerd de troon te usurperen en wist dat dit traditioneel met de dood werd bestraft. Door zich vast te grijpen aan de altaarhoornen, beriep hij zich op het oude asielrecht en vroeg hij om genade.