Inleiding tot Mattheus 2
Mattheus hoofdstuk 2 vervolgt het verhaal van Jezus' geboorte en vroege kinderjaren. Na de genealogie en geboorte in hoofdstuk 1, laat dit hoofdstuk zien hoe Jezus vanaf het begin zowel werd erkend als bedreigd. Het hoofdstuk toont Gods soevereine leiding en bescherming over zijn Zoon.
De Wijzen uit het Oosten (vers 1-12)
Het hoofdstuk begint met de komst van wijzen uit het oosten naar Jeruzalem. Deze 'magi' waren waarschijnlijk Perzische of Babylonische sterrenkundigen die een bijzondere ster hadden gezien die de geboorte van de 'Koning der Joden' aankondigde.
Hun vraag 'Waar is de pasgeboren Koning der Joden?' veroorzaakt onrust bij koning Herodes. Het is opvallend dat heidenen Jezus komen zoeken, terwijl de religieuze leiders in Jeruzalem onverschillig blijven. Dit wijst al vroeg op het universele karakter van het evangelie.
De wijzen brengen drie geschenken: goud (voor een koning), wierook (voor een priester) en mirre (voor iemand die zal sterven). Deze geschenken zijn symbolisch voor Jezus' drievoudige ambt als profeet, priester en koning.
Herodes' Bedreiging en de Vlucht naar Egypte (vers 13-18)
Koning Herodes, bekend om zijn paranoia en wreedheid, ziet in het pasgeboren kind een bedreiging voor zijn troon. Na bedrogen te zijn door de wijzen, beveelt hij de moord op alle jongetjes onder de twee jaar in Bethlehem en omgeving.
God waarschuwt Jozef in een droom om met Maria en het kind naar Egypte te vluchten. Mattheus ziet hierin de vervulling van Hosea 11:1: 'Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.' Net zoals Israël als volk uit Egypte werd gered, zo wordt ook Jezus daar bewaard.
De kindermoord in Bethlehem vervult Jeremia 31:15, waar gesproken wordt van Rachel die weent om haar kinderen. Deze tragische gebeurtenis toont de ernst van de zonde en het lijden dat Jezus' komst teweeg zou brengen.
Terugkeer uit Egypte (vers 19-23)
Na Herodes' dood keert het gezin terug naar Israël, maar vanwege Archelaüs (Herodes' zoon) vestigen zij zich in Nazareth in Galilea. Mattheus verbindt dit met de profetie dat de Messias 'Nazoreeër' zou worden genoemd.
Vervulling van Profetieën
Een opvallend kenmerk van dit hoofdstuk is de herhaaldelike verwijzing naar vervulde profetieën. Mattheus toont aan dat Jezus' leven, zelfs als kind, de Oudtestamentische verwachtingen vervult. Dit benadrukt dat Jezus' komst geen toeval was, maar Gods voorbestemde plan.
De Betekenis voor Ons
Dit hoofdstuk laat zien dat God zijn beloften houdt, ook te midden van tegenstand en gevaar. Het toont ook dat het evangelie vanaf het begin bestemd was voor alle volkeren, niet alleen voor Israël. De wijzen uit het oosten zijn de eerstelingen van de heidenen die Jezus zullen aanbidden.
Historische Context
Mattheus schreef zijn evangelie rond 70-80 n.Chr. voor een Joods-christelijke gemeenschap. Hij benadrukt voortdurend hoe Jezus de vervulling is van Oudtestamentische profetieën. Herodes de Grote regeerde van 37-4 v.Chr. en stond bekend om zijn bouwprojecten maar ook om zijn wreedheid. De wijzen kwamen waarschijnlijk uit Perzië of Babylonië, waar Joodse ballingen woonden die messiaanse verwachtingen hadden doorgegeven.
Praktische Toepassing
Dit hoofdstuk leert ons dat God zijn kinderen beschermt, ook in moeilijke omstandigheden. Net zoals Hij Jozef waarschuwde in dromen, zo leidt Hij ook ons door zijn Geest en Woord. We zien ook dat oprechte zoeker zoals de wijzen, beloond worden met een ontmoeting met Jezus. Hun voorbeeld moedigt ons aan om Jezus te blijven zoeken ondanks obstakels.